ECLI:NL:RBDHA:2023:13750
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag zelfstandige verblijfsvergunning na intrekking eerdere vergunning
Eiser heeft op 29 maart 2021 een aanvraag ingediend voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking 'gezinshereniging bij ouders'. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris op 30 juni 2021 afgewezen en het bezwaar van eiser op 15 november 2021 eveneens ongegrond verklaard.
De eerdere verblijfsvergunning van eiser, verleend in 2002, was met terugwerkende kracht ingetrokken per 23 januari 2013 wegens een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hoger beroep ingesteld, waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening heeft getroffen om uitzetting te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de eerdere vergunning rechtsgeldig blijft zolang het hoger beroep niet is beslist, aangezien het hoger beroep de rechtsgevolgen van de intrekking niet opschort. Omdat eiser geen nieuw verblijfsrecht heeft verkregen sinds de intrekking, kan hij niet in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een zelfstandige verblijfsvergunning blijft in stand.