ECLI:NL:RBDHA:2023:1287
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Marokko
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn geplande uitzetting naar Marokko op 9 februari 2023 en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij stelt dat hij in Duitsland een asielprocedure loopt en dat Nederland niet bevoegd is hem uit te zetten, mede omdat hij geen paspoort bezit en geen laissez-passer heeft gezien. Verzoeker vreest bovendien onrechtmatige dwang bij zijn uitzetting.
De staatssecretaris stelt dat Nederland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de verwijdering van verzoeker, dat er een geldig laissez-passer is afgegeven door Marokko, en dat de uitzetting rechtmatig is. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting beperkt is tot de wijze van uitvoering en dat verzoeker geen nieuwe feiten heeft aangevoerd die de rechtmatigheid van de uitzetting ondermijnen.
Verder is vastgesteld dat het eerdere besluit tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag in Nederland en het terugkeerbesluit onherroepelijk zijn. De voorzieningenrechter concludeert dat het belang van verzoeker om zijn bezwaar in Nederland af te wachten niet opweegt tegen het belang van een spoedige uitzetting, mede gezien de beperkte geldigheidsduur van het laissez-passer. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting naar Marokko wordt afgewezen.