Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:12843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 augustus 2023
Publicatiedatum
29 augustus 2023
Zaaknummer
FT RK 23/585&586
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 lid 1 sub f FwArt. 48 lid 1 WCKWet gemeentelijke schuldhulpverlening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking over onmogelijk buitengerechtelijke schuldregeling in WSNP-verzoek

Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) zonder voorafgaand buitengerechtelijk schuldregelingstraject. De rechtbank beoordeelt of het terecht is dat een poging tot buitengerechtelijke schuldregeling is achterwege gelaten, zoals vereist volgens artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet Pro.

Verzoekers stellen dat loonbeslagen en beslag op hun auto het onmogelijk maken om een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen. De rechtbank overweegt dat loonbeslagen niet automatisch uitsluiten dat een buitengerechtelijke regeling mogelijk is, tenzij schuldeisers expliciet weigeren mee te werken. Dit is niet gebleken.

Ten aanzien van het beslag op de auto oordeelt de rechtbank dat de gemeente Den Haag als beslaglegger het beslag voortzet zonder executie, waardoor verzoekers niet kunnen verkopen en nieuwe schulden ontstaan. De rechtbank geeft verzoekers drie weken om de gemeente schriftelijk te verzoeken het beslag op te heffen of de auto executoriaal te verkopen en houdt verdere beslissing aan totdat hierover duidelijkheid is.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en stelt verzoekers in de gelegenheid om de gemeente Den Haag te verzoeken het beslag op de auto op te heffen of executoriaal te verkopen.

Uitspraak

tussenbeschikking
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
Rekestnummers: FT RK 23/585&586
tussenbeschikking van 28 augustus 2023 op grond van artikel 284 van Pro de Faillissementswet in het verzoek van:
[verzoekers],
wonende te [adres]
[postcode en woonplaats],
hierna: verzoekers.
Waar deze zaak over gaat
Verzoekers bevinden zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor hun schulden te komen hebben verzoekers een verzoek gedaan om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Een dergelijk verzoek moet in beginsel worden voorafgegaan door een buitengerechtelijk schuldregelingstraject. Dit is niet gebeurd. Voordat inhoudelijk op het WSNP-verzoek kan worden beslist, moet eerst worden beoordeeld of
een poging om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling terecht achterwege is gelaten. Daar gaat deze tussenbeschikking over.

1.De procedure

1.1.
Verzoekers hebben een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP. Dit verzoek is op 4 augustus bij de rechtbank binnengekomen.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 22 augustus 2023. Met de uitnodiging voor deze zitting is een WSNP-informatieboekje meegezonden. Op de zitting zijn verschenen: verzoekers bijgestaan door de schuldhulpverleners [A] en [B], alsmede door [X], klantbegeleider bij de gemeente Den Haag .

2.De beoordeling van het verzoek

buitengerechtelijke schuldregeling onmogelijk?

2.1.
Een van de doelstellingen van de WSNP is het bevorderen van de totstandkoming van minnelijke schuldregelingen. Niet is gebleken dat de wetgever met de per 1 juli 2023 inwerking getreden wetswijzigingen deze doelstelling heeft willen loslaten. De WSNP fungeert dus nog steeds als ‘stok achter de deur’ voor een buitengerechtelijk schuldregelingsakkoord. Een WSNP-verzoek moet dus in beginsel zijn voorafgegaan door een deugdelijke poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Het onderhavige verzoek is echter niet vooraf gegaan door een buitengerechtelijk schuldregelingstraject. Dit wordt in de 285-verklaring (de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet) als volgt toegelicht:
“Door het gelegde beslag op het inkomen van betrokkenen blijven er onvoldoende gelden over om alle vaste lasten tijdig een volledig te voldoen. Derhalve ontstaan nieuwe achterstanden in onder andere de vaste lasten. Daarnaast is er onvoldoende ruimte om te kunnen voorzien in de eerste levensbehoefte ondanks dat verzoekers een beroep doen op de voedselbank.
Verzoekers hebben een auto, welke door gevestigd beslag op het voertuig niet verkocht kan worden. Doordat de verzekering van het voertuig inmiddels geroyeerd is, is het voertuig momenteel onverzekerd. Tevens beschikt het voertuig niet over een geldige APK. Voor deze kosten is geen financiële ruimte.
Gelet op het bovenstaande zijn er geen reëele mogelijkheden om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen met de crediteuren.”
2.2.
De stellingen van verzoekers komen er dus op neer dat de namens schuldeisers gelegde beslagen (twee loonbeslagen en een beslag op de auto van verzoekers) het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Hiermee doen zij een beroep op het per 1 juli 2023 gewijzigde artikel 285 van Pro de Faillissementswet, waarvan lid 1 (tweede zin) nu bepaalt dat als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijk-heden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, voor de afgifte van de verklaring (een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen) niet eerst een poging hoeft te zijn gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. De bedoeling van de wetswijziging is “
dat de gemeenten de schuldenaar direct kunnen doorgeleiden naar de WSNP zodra duidelijk is dat het beproeven van een buitengerechtelijke schuldregeling zinloos is.
de loonbeslagen
2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank betekent een gelegd loonbeslag niet automatische dat het onmogelijk is om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Daarvoor is bovendien nodig dat de beslag leggende schuldeisers er mee bekend zijn dat verzoekers een persoon of instantie zoals bedoeld in artikel 48 lid 1 van Pro de Wet op het consumentenkrediet (WCK) hebben ingeschakeld om een schuldenregeling te realiseren, en te kennen hebben gegeven daaraan niet mee te zullen werken en (dus) het loonbeslag onverkort te zullen handhaven.
Voor de totstandkoming van een buitenrechtelijke schuldregeling dient een schuldenaar zich immers te verzekeren van de medewerking van de schuldeisers. Voor zover de schuldeisers niet hebben aangegeven ieder voorstel te zullen weigeren, moeten zij daarbij in de gelegenheid worden gesteld om hun keuze te bepalen. Niet is gebleken dat de schuldeisers die loonbeslag hebben gelegd ermee bekend zijn dat verzoekers een beroep op schuldhulpverlening hebben gedaan om hun schulden te regelen. Die schuldeisers hebben dus niet kenbaar gemaakt – en ook niet kunnen maken – of zij al dan niet bereid zijn aan een buitengerechtelijke schuldregeling mee te werken. Dat die beslagleggers niet bereid zouden zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming en – door opheffing van gelegde beslagen – de uitvoering van een buitengerechtelijke schuldregeling is dus niet gebleken.
2.4.
Dit brengt de rechtbank op dit moment tot het oordeel dat er niet van kan worden uitgegaan dat als gevolg van de gelegde loonbeslagen er daadwerkelijk geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
Het beslag op de auto
2.5.
Door de gemeente Den Haag is beslag gelegd op de auto van verzoekers. De gemeente Den Haag laat de beslaglegging voortduren zonder deze te vervolgen, bijvoorbeeld door executoriale verkoop van de auto. Als gevolg van het beslag kunnen verzoekers de auto niet zelf verkopen. Hierdoor worden zij geconfronteerd met doorlopende kosten (verzekering, Apk-keuring) die zij als gevolg van de gelegde loonbeslagen niet langer kunnen betalen. Daardoor ontstaan nieuwe schulden, zoals boetes. Door de nieuwe schulden, en daarmee de oplopende schuldenlast, kan niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling worden gekomen. Daarvoor dient de auto door de beslaglegger te worden verkocht, of moet het beslag worden opgeheven zodat verzoekers de auto zelf kunnen verkopen en de opbrengst ten behoeve van de schuldeisers kunnen reserveren.
2.6.
De gemeente Den Haag laat tot op heden dus de verdere tenuitvoerlegging van het beslag op de auto achterwege en lijkt evenmin bereid te zijn het beslag op te heffen. Hierdoor worden verzoekers benadeeld. Ook lijkt de gemeente Den Haag zich hiermee weinig doordrongen te zijn van de taken die haar worden opgelegd in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Die wet bepaalt onder meer:
Het college heeft tot taak (…) om schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente te geven. Daar waar een afdeling schuldhulpverlening zich inzet om die taken te verwezenlijken, kan klaarblijkelijk niet worden gerekend op de benodigde medewerking van de afdeling financiën.
2.7.
Ook hier is de rechtbank van oordeel dat duidelijk moet zijn of de gemeente Den Haag , als beslaglegger op de auto, in de gelegenheid is gesteld om expliciet kenbaar te maken of zij al dan niet bereid is aan een buitengerechtelijke schuldregeling mee te werken
én– ten aanzien van het beslag op de auto – of zij daarbij bereid is ter uitvoering van een dergelijke regeling op korte termijn er voor te zorgen dat de auto executoriaal wordt verkocht, dan wel het beslag wordt opgeheven. Dit is nu nog onvoldoende duidelijk zodat de rechtbank verzoekers in de gelegenheid zal stellen de gemeente Den Haag de situatie voor te leggen en schriftelijk te verzoeken een buitengerechtelijk schuldregelingstraject mogelijk te maken door op korte termijn er voor te zorgen dat de auto executoriaal wordt verkocht, dan wel dat het beslag wordt opgeheven. Verzoekers dienen de rechtbank binnen drie weken na heden over de uitkomst hiervan te berichten, met bijvoeging van de brief aan de gemeente Den Haag en de reactie van de gemeente Den Haag .
verdere beoordeling van het verzoek
2.8.
Voor het overige houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

3.De beslissing

De rechtbank:
- stelt verzoekers in de gelegenheid om binnen drie weken de hiervoor in overweging 2.7. bedoelde stukken aan de rechtbank te sturen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit is een beslissing van mr. R. Cats, rechter, in samenwerking met N.B.H. Doorneveld, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2023.