ECLI:NL:RBDHA:2023:12362
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is opgelegd. De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2023 behandeld en beoordeeld of de aanhouding en de daaropvolgende bewaring rechtmatig zijn.
Eiser stelde dat zijn aanhouding onrechtmatig was omdat hij geen strafbaar feit had gepleegd en de identiteitsplicht uit artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht volgens hem alleen geldt bij strafbare feiten. De rechtbank oordeelde dat de aanhouding plaatsvond op basis van een strafrechtelijke bevoegdheid, namelijk artikel 447e WvSr, omdat een persoon in de groep waar eiser zich bevond een joint rookte op openbaar terrein. De bewaringsrechter is niet bevoegd om over strafrechtelijke voortrajecten te oordelen; dit is voorbehouden aan de strafrechter. Er is geen aanwijzing dat het strafrechtelijk voortraject onrechtmatig was.
De rechtbank heeft ambtshalve ook geen gronden gevonden om de rechtmatigheid van de bewaring te betwijfelen. Daarom verklaarde zij het beroep ongegrond, wat betekent dat de bewaring rechtmatig is en dat de staatssecretaris geen schadevergoeding hoeft te betalen. Een proceskostenveroordeling is niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.