ECLI:NL:RBDHA:2023:12089
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM correct vastgesteld ondanks geschil over waardevermindering auto
Eiser deed op 2 juni 2020 aangifte BPM voor een gebruikte Mercedes-Benz C-klasse. De auto was op 23 april 2020 getaxeerd met een waardevermindering wegens schade, maar een latere hertaxatie op 8 juni 2020 vond geen schade. De naheffingsaanslag BPM werd vastgesteld zonder rekening te houden met waardevermindering, wat leidde tot een hoger bedrag dan door eiser aangegeven.
De rechtbank oordeelt dat de belasting moet worden berekend op basis van de waarde van de auto ten tijde van aangifte en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade. Het taxatierapport was gebaseerd op een eerdere datum en gaf geen duidelijkheid over blijvende waardevermindering.
Verder verwierp de rechtbank het beroep van eiser dat de BPM te hoog zou zijn op grond van artikel 110 VWEU Pro, omdat de herleidingsmethode die eiser voorstelde niet strookt met het wettelijke systeem van de BPM.
De naheffingsaanslag werd daarom gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Hoewel de redelijke termijn voor de procedure met ruim een maand werd overschreden, wees de rechtbank een vergoeding voor immateriële schade af omdat eiser afstand had gedaan van dit recht.
De uitspraak werd gedaan door rechter E. Kouwenhoven op 19 juli 2023, waarna hoger beroep mogelijk is bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.