ECLI:NL:RBDHA:2023:11735
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep naturalisatie
Eiseres, houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en Oekraïense nationaliteit, verzocht om naturalisatie. De staatssecretaris wees dit verzoek bij besluit van 26 april 2021 af vanwege een voorgenomen intrekking van de verblijfsvergunning. Het bezwaar van eiseres werd op 9 september 2021 ongegrond verklaard. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit, maar trok dit op 6 juli 2023 in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van tegemoetkoming door de staatssecretaris, aangezien het primaire besluit niet was herroepen en een nieuw verzoek om naturalisatie in december 2022 positief werd beslist. Ook de constatering dat het bezwaar ongegrond werd verklaard terwijl kort daarna werd medegedeeld dat de verblijfsvergunning niet zou worden ingetrokken, leidde niet tot een proceskostenveroordeling.
De rechtbank baseerde zich op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat het voornemen tot intrekking van een verblijfsvergunning bedenkingen oplevert voor naturalisatie, maar dat dit niet automatisch leidt tot een vergoeding van proceskosten. Het verzoek om proceskosten werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen.