ECLI:NL:RVS:2020:1460
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek naturalisatie wegens verblijfsgat en bedenkingen tegen verblijf
Bij besluit van 14 augustus 2018 wees de staatssecretaris het verzoek van appellante om het Nederlanderschap te verkrijgen af, vanwege bedenkingen tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd en een verblijfsgat tussen 21 december 2016 en 21 maart 2017.
Appellante had sinds 21 december 2011 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking gezinshereniging bij haar vader. Na verlenging van deze vergunning in maart 2017 ontstond een verblijfsgat omdat zij tussen 21 december 2016 en 21 maart 2017 geen geldige vergunning had. Tevens stond zij sinds augustus 2017 ingeschreven op een ander adres dan dat van haar vader, wat bedenkingen tegen haar verblijf opriep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze uitspraak. De Afdeling overweegt dat de verblijfsrechtelijke gronden in een vreemdelingenrechtelijke procedure moeten worden aangevochten en dat het verblijfsgat geen bijzondere omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om naturalisatie wordt bevestigd.