Uitspraak
(gemachtigde: mr. A. Bakker),
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
Zitting
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Rechtbank Den Haag
Eiser maakte bezwaar tegen de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Den Haag, gesteld op €294.000 voor het jaar 2021. Eiser betwistte dat verweerder voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en vergelijkingsobjecten en stelde een lagere waarde van €253.000 voor.
Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatieverslag en een taxatiematrix met vergelijkbare woningen. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat de gebruikte vergelijkingsobjecten qua bouwkenmerken en ligging goed vergelijkbaar zijn.
Het beroep van eiser faalde ook omdat het niet aannemelijk was dat verweerder in de bezwaarfase onzorgvuldig was geweest door het niet verstrekken van de matrix en grondstaffel. De rechtbank wees tevens het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens een geringe termijnoverschrijding van vier maanden af, omdat de vergoeding vermoedelijk aan de gemachtigde toekomt en niet aan eiser.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.