Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , geboren op [geboortedatum] en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zitting hebben:
Procesverloop
Beslissing
Overwegingen
- Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel;
- De rechtbank is bekend met de Circular Letter, de brief van de Europese Commissie, de brief van de Italiaanse autoriteiten van 4 januari 2023 en de bovengenoemde brief van 27 januari 2023;
- De uitspraken van de Afdeling die gaan over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dateren van vóór het uitvaardigen van de Circular letter op 5 december 2022, zodat deze Afdelingsjurisprudentie op dit moment niet onverkort kan worden gevolgd;
- Artikel 33 van Pro de Dublinverordening bevat een “Mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing, paraatheid en crisisbeheersing”; Italië heeft dit mechanisme niet in werking gesteld maar in plaats daarvan aan de lidstaten aangegeven geen inkomende Dublintransfers te accepteren;
- De omstandigheid dat Italië thans geen opvangfaciliteiten heeft en Dublintransfers weigert is g
- Italië heeft, doordat sprake is van een fictief claimakkoord niet uitdrukkelijk erkend zich verantwoordelijk te achten voor de behandeling van eisers’ asielaanvraag en schort alle overdrachten uit alle lidstaten op vanwege capaciteitsproblemen;
- Er bestaat geen rechtsgrond voor een “uitgestelde” beoordeling van de beschikbaarheid van en toegang tot opvang tot het moment van de feitelijke overdracht. Een in rechte vaststaand overdrachtsbesluit impliceert een bevoegdheid om een claimakkoord te effectueren en de feitelijke overdracht te realiseren. Ten tijde van het onderzoek ter zitting en dus op het moment dat het overdrachtsbesluit door de rechter wordt getoetst bestaat die bevoegdheid echter niet. Niet valt in te zien dat het overdrachtsbesluit dan rechtens juist kan zijn;
- Uit de strekking van de Dublinverordening en meer in het bijzonder de ratio van de korte termijnen die de Uniewetgever heeft gesteld, volgt óók dat de overdrachtstermijn van zes maanden niet is bedoeld om te wachten tot de verantwoordelijke lidstaat binnen de overdrachtstermijn voldoet aan zijn verplichtingen indien deze lidstaat ten tijde van het nemen van een overdrachtsbesluit hieraan ontegenzeggelijk niet voldoet; De overdrachtstermijn is geen zes maanden-termijn om te wachten totdat overdracht “
- Een andere uitleg doet ernstig afbreuk aan de bescherming die eiser aan de Dublinverordening ontleent om niet in een met artikel 4 Handvest Pro-strijdige situatie na overdracht te komen. De rechtsingang om bezwaar te maken tegen de feitelijke overdracht is niet gelijk te stellen met het instellen van beroep tegen een overdrachtsbesluit. In een dergelijke procedure komt immers aan de orde op welke wijze verweerder van zijn bevoegdheid tot overdracht gebruik zal maken en niet
- Verweerder is niet bereid om toe te zeggen bij de aankondiging van de feitelijke overdracht garanties te vragen dat opvang beschikbaar is en verweerder is niet bereid om toe te zeggen dat wordt afgezien van overdracht indien die garanties niet expliciet worden verkregen;
- Het niet kunnen voldoen aan de verplichting om opvang te bieden is reeds kenbaar bij het nemen van het overdrachtsbesluit en regardeert dus dit besluit. Omdat Italië aangeeft onvoldoende opvangcapaciteit beschikbaar te (kunnen) maken, kan overigens, naar het oordeel van de rechtbank, van eiser niet worden verwacht dat hij na overdracht daarover klaagt bij de Italiaanse autoriteiten omdat dit bij voorbaat kansloos moet worden geacht;
- Verweerder is thans doende om vluchten te boeken voor de maand februari en annuleert die vluchten vervolgens zodra
- Een andere uitleg en toepassing van de bepalingen in de Dublinverordening ontneemt, naar het oordeel van de rechtbank, het nuttig effect aan het in het Handvest opgenomen recht op een doeltreffende voorziening in rechte;
- De “tijdelijke situatie” bestrijkt thans ruim twee maanden. Op dit moment bestaat geen enkele indicatie op welke termijn Italië zal voldoen aan zijn verplichting om opvang te bieden en aan zijn verplichting om overdrachten vanuit de andere lidstaten te accepteren;
- Ook indien moet worden aangenomen dat de opschorting van de overdrachten op korte termijn wordt stopgezet, is het thans onduidelijk of de overdrachten worden gemaximeerd en/of in overleg met de andere lidstaten die overdrachtsbesluiten willen effectueren plaats gaan vinden. Er zijn op dit moment dermate weinig aanknopingspunten voor de te verwachten ontwikkelingen dat de rechtbank eenvoudigweg thans geen nadere beoordeling kan maken van de vraag of eisers, zodra Italië zijn opschorting staakt, toegang tot opvang die voldoet aan de Unierechtelijke vereisten zal hebben. Onder de gegeven omstandigheden kan bij die beoordeling niet onverkort en zonder nadere motivering van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Anders dan verweerder stelt, ligt hiervoor de bewijslast niet (langer) bij eiser;
- Op het moment dat Italië inkomende Dublinoverdrachten niet langer weigert, zal de rechtbank nader beoordelen wat de kwaliteit van de geboden opvang is en hoe de bewijslast moet worden bepaald;
- Verweerder had nader dienen te motiveren wanneer het in geheel niet (kunnen) bieden van opvang aan overgedragen Dublinclaimanten moet worden gekwalificeerd als structurele problemen en/of een “systeemfout”;
náontvangst van de Circular Letter, niet is voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat het overdrachtsbesluit rechtmatig is en dat de omstandigheid dat Italië thans, al dan niet na overdracht, geen opvang biedt aan Dublinclaimanten geen gevolgen zou moeten hebben voor de beoordeling of Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers. De rechtbank concludeert niet dat overdracht van eisers aan Italië op grond van artikel 3, tweede lid, Dublinverordening, absoluut verboden is, maar vernietigt het overdrachtsbesluit dus vanwege motiveringsgebreken.