Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
tot op heden geen nadere informatie van de zijde van de Italiaanse autoriteiten is ontvangen”.
tenminste- de opschorting van deze verplichtingen annuleert. Om deze rechtsvraag beter te kunnen beoordelen heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting de navolgende vragen aan verweerder gesteld:
2. (…) Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.
1. Indien de Commissie, in het bijzonder op basis van de door de op grond van Verordening (EU) nr. 439/2010 door het EASO vergaarde informatie, constateert dat de toepassing van deze verordening in gevaar kan komen hetzij door een kennelijk risico van bijzondere druk op het asielstelsel van een lidstaat en/of doordat er zich problemen voordoen in de werking van het asielstelsel van een lidstaat, richt de Commissie in samenwerking met het EASO aanbevelingen aan die lidstaat waarin zij hem verzoekt een preventief actieplan op te stellen.
een feitelijk beletsel, maar van een juridische omstandigheid die relevant is voor de beoordeling van het overdrachtsbesluit en welke omstandigheid daarmee mogelijk een
juridisch beletselvoor overdracht is. Het is de vraag of het verweerder verboden moet worden een Dublinclaimant over te dragen als de in beginsel verantwoordelijke lidstaat niet kan en/of zal voldoen aan de verplichting om opvang gedurende de asielprocedure te bieden. Deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank wezenlijk anders dan de situatie waarin overdrachten gedurende geruime tijd geen doorgang hebben kunnen vinden vanwege reisbeperkingen in verband met de covid-pandemie. Een pandemie is een feitelijke gebeurtenis waar de lidstaten buiten hun wil en toedoen mee worden geconfronteerd en die zich onafhankelijk van handelen en/of nalaten van partijen voordoet. De thans ontstane situatie is echter aan de orde omdat een lidstaat van de Unie stelt niet aan zijn verplichtingen om opvang te bieden te kunnen voldoen en daarom éénzijdig zijn uit de Dublinverordening voortvloeiende verplichtingen opschort en de andere lidstaten verzoekt om af te zien van feitelijke overdrachten.
zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding(…)”. Uit deze bepaling leidt de rechtbank af dat de termijn van zes maanden om de feitelijke overdracht te realiseren verband houdt met het moeten kunnen verrichten van feitelijke handelingen en de tijd die daarvoor benodigd is. Uit de bewoordingen en ratio van deze bepaling blijkt genoegzaam dat niet is voorzien in een zes maanden-termijn om te wachten totdat overdracht “
juridisch mogelijk” is. De rechtbank volgt gelet hierop niet de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2022, voor zover de Afdeling daarin heeft overwogen dat “
met de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening namelijk al wordt gewaarborgd dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is”. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze termijn weliswaar om een spoedige effectuering van het overdrachtsbesluit te bewerkstelligen en biedt het de vreemdeling de zekerheid dat na zes maanden geen overdracht zal volgen. Dat betekent echter, naar het oordeel van de rechtbank, niet zonder meer dat de termijn kan worden “gebruikt” om af te wachten of Italië in staat en bereid is om zijn Unierechtelijke verplichtingen na te komen.
ófverweerder bevoegd is om tot die overdracht over te gaan. Eiser zal in die procedure nieuwe feiten en omstandigheden dienen aan te dragen indien hij de overdracht wil voorkomen. Dit is echter een opmerkelijk “vereiste” in omstandigheden zoals hier in de orde. Immers, ten tijde van het rechtmatigheidsonderzoek van het overdrachtsbesluit biedt Italië geen opvang. Niet valt in te zien dat deze omstandigheid niet reeds op zichzelf aan overdracht in de weg staat, zonder dat eiser bij het maken van bezwaar tegen de feitelijke overdracht nog nieuwe feiten en omstandigheden dient aan te dragen.
concrete procedureten aanzien van een
concreet voorgenomen overdrachtaangeven dat de overdracht geen doorgang kan vinden. De Italiaanse autoriteiten hebben immers te kennen gegeven reeds gedurende twee maanden geen enkele overdracht toe te staan. De rechtbank overweegt dat het rechtsmiddel om bezwaar te maken tegen de feitelijke overdracht, gelet op de actuele feiten en omstandigheden, onvoldoende rechtsbescherming biedt. Dit niet kunnen voldoen aan de verplichtingen is reeds kenbaar bij het nemen van het overdrachtsbesluit en regardeert dus dit besluit, zodat de opschorting niet eerst kan worden bezien op het moment dat verweerder wil overdragen en/of kort voordat de overdrachtstermijn verstrijkt. Omdat Italië aangeeft onvoldoende opvangcapaciteit beschikbaar te (kunnen) maken, kan overigens, naar het oordeel van de rechtbank, van eiser niet worden verwacht dat hij na overdracht daarover klaagt bij de Italiaanse autoriteiten. Gelet op de concrete feiten en omstandigheden moet dit namelijk bij voorbaat kansloos worden geacht.
the intense arrivals by both sea and land”, waar Italië in zijn brief van 4 januari 2023 aan refereert, op korte termijn substantieel zullen afnemen, waarbij te gelden heeft dat vanuit alle lidstaten thans gedurende twee maanden geen overdrachten hebben plaatsgevonden en, op het moment dat overdrachten wel zouden worden geaccepteerd door Italië, een relatief groot aantal overdrachten zal worden aangekondigd. Ook in die situatie zal er een aanzienlijke druk ontstaan op de asielprocedure en asielopvang. Het is dus maar de vraag of, zoals verweerder lijkt te veronderstellen, Italië op korte termijn overdrachten zal accepteren en alle lidstaten alle in rechte vaststaande overdrachtsbesluiten kunnen effectueren en dit geen gevolgen zal hebben voor de toegang tot en kwaliteit van de asielopvang.
náontvangst van de Circular Letter, niet is voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat het overdrachtsbesluit rechtmatig is en dat de omstandigheid dat Italië thans, al dan niet na overdracht, geen opvang biedt aan Dublinclaimanten geen gevolgen zou moeten hebben voor de beoordeling of Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De rechtbank concludeert niet dat overdracht van eiser aan Italië op grond van artikel 3, tweede lid, Dublinverordening, absoluut verboden is, maar vernietigt het overdrachtsbesluit dus vanwege motiveringsgebreken. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Verweerder dient opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank zal hiervoor een termijn van vier weken bepalen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.