ECLI:NL:RBDHA:2023:10605

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juli 2023
Publicatiedatum
19 juli 2023
Zaaknummer
NL23.14431
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht Dublinclaimant aan België wegens opvangtekort

Verzoeker, een Pakistaanse Dublinclaimant, diende op 27 november 2022 een asielaanvraag in. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank stelde vast dat België kampt met een tekort aan opvangplekken, waardoor niet-kwetsbare Dublinclaimanten soms meer dan zes maanden moeten wachten op opvang. De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, maar dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de opvangvoorzieningen in België momenteel ontoereikend zijn.

De voorzieningenrechter besloot het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en het overdrachtsbesluit te schorsen totdat op het beroep is beslist. Tevens werden de proceskosten van verzoeker aan verweerder opgelegd. De rechtbank gaf aan vergelijkbare zaken aan te houden in afwachting van een einduitspraak in een gerelateerde procedure.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het overdrachtsbesluit aan België geschorst totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14431

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1971, van Pakistaanse nationaliteit, verzoeker,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Zijl).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2023 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL23.14430). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek gelijktijdig met het beroep op 6 juli 2023 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn – zonder enig bericht hierover aan de rechtbank of verweerder- niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 19 juli 2023 het onderzoek in de beroepszaak heropend en medegedeeld dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat einduitspraak wordt gedaan in de procedure waarin de rechtbank op 19 juli 2023 een tussenuitspraak heeft gedaan (NL23.11747, ECLI:NL:RBDHA:2023:10571).

Overwegingen

1. Verzoeker heeft onderhavige asielaanvraag op 27 november 2022 ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat verzoeker op 10 oktober 2019, op 23 februari 2017 en op 27 november 2014 in België een asielaanvraag heeft ingediend.
De Belgische autoriteiten hebben het claimverzoek van 24 januari 2023 geaccepteerd. Op
2 februari 2023 is een claimakkoord tot stand gekomen. Verweerder wil verzoeker op grond van dit claimakkoord overdragen aan België.
2. Partijen zijn in beroep verdeeld over de vraag of de overdracht aan België moet worden verboden.
3. Verzoeker heeft verzocht om de behandeling van het beroep in Nederland te mogen afwachten.
4. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorziening toewijzen en overweegt daartoe als volgt.
6. In beginsel mag verweerder ten aanzien van de andere lidstaten uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en er daarom ook van uitgaan dat België zijn verdragsverplichtingen jegens verzoeker na zal komen als verzoeker wordt overgedragen. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is. De Belgische autoriteiten hebben echter in twee brieven aan verweerder te kennen gegeven met een tekort aan opvangplekken te kampen en dat daardoor Dublinclaimanten die door de Belgische autoriteiten na een individuele beoordeling niet worden aangemerkt als kwetsbare personen, de wachttijd voor een opvangplek tot soms (meer dan) zes maanden kan oplopen. De Belgische autoriteiten hebben tevens aangegeven dat er noodopvang-locaties zijn waar Dublinclaimanten zich na overdracht kunnen melden om te worden opgevangen. Gelet op de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie zal verzoeker niet als kwetsbaar worden aangemerkt en zal hij niet in aanmerking komen voor opvangvoorzieningen die de Belgische autoriteiten, indien geen capaciteitsproblemen bestonden, zouden verstrekken.
7. De rechtbank, deze zittingsplaats, heeft in de eerder genoemde tussenuitspraak van 19 juli 2023 in een beroep van een andere -niet kwetsbare- vreemdeling verweerder opgedragen zich nader te vergewissen van zowel de juridische verschillen als de feitelijke verschillen tussen de opvangvoorzieningen die de Belgische autoriteiten normaalgesproken aan Dublinclaimanten verstrekken en de voorzieningen waar Dublinclaimanten thans -mogelijk- voor in aanmerking komen na de overdracht. De voorzieningenrechter wijst het onderhavige verzoek toe in afwachting van het onderzoek dat verweerder (mogelijk) zal verrichten in procedure NL23.11747 (ECLI:NL:RBDHA:2023:10571) en omdat gezien de overwegingen in die tussenuitspraak het beroep een redelijke kans van slagen niet op voorhand kan worden ontzegd. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat deze zittingsplaats voornemens is om in vergelijkbare procedures waarin de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit van niet kwetsbare vreemdelingen aan België moet worden beoordeeld, de beroepen ook aan te houden totdat de rechtbank een einduitspraak zal doen in de eerdergenoemde procedure en verzoeken om een voorlopige voorziening toe te wijzen, dan wel een ordemaatregel te treffen.
8. Gelet op de toewijzing van het verzoek veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en treft de voorlopige voorziening dat het overdrachtsbesluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België totdat is beslist op het beroep;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 837,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. M.J. Clermonts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 19 juli 2023
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.