ECLI:NL:RBDHA:2022:9694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
NL22.18093
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 96 lid 3 VwArt. 28 lid 3 Verordening (EU) Nr. 604/2013
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring Dublinclaimant

De eiser, een Nigeriaanse Dublinclaimant, werd op 13 augustus 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was.

In dit vervolgberoep stond alleen de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel centraal. De eiser voerde aan dat het land van overdracht was gewijzigd van België naar Frankrijk zonder dat hij opnieuw was gehoord, en dat de bewaring hem zwaar viel gezien de duur. De rechtbank oordeelde dat de wijziging van het land van overdracht de rechtmatigheid van de maatregel niet aantast, omdat de eiser als Dublinclaimant in bewaring kan worden gesteld en bezwaren tegen de overdracht in een aparte procedure kunnen worden aangevoerd.

Verder stelde de rechtbank vast dat de maximale termijn van bewaring volgens de Dublinverordening nog niet was verstreken en dat de eiser onvoldoende had onderbouwd waarom de bewaring hem zwaar viel. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.18093

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 13 augustus 2022 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 19 september 2022 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8629, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat het land van overdracht blijkens de voortgangsrapportage is gewijzigd van België naar Frankrijk zonder dat hij opnieuw is gehoord over de inbewaringstelling. Dit maakt de maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank echter niet onrechtmatig. Deze ontwikkeling laat immers onverlet dat eiser een Dublinclaimant is die op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring kan worden gesteld. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de gronden van de maatregel van bewaring, die in rechte vast staan en die duiden op een risico op onttrekking aan het toezicht, zouden moeten worden herzien. Bezwaren van eiser tegen overdracht naar Frankrijk kunnen worden aangevoerd in de beroepsprocedure tegen het overdrachtsbesluit.
5. Daarnaast voert eiser aan dat de bewaring hem zwaar valt, dat deze inmiddels al vijf weken duurt en dat deze nog weken kan blijven voortduren hangende de procedure tegen het overdrachtsbesluit. Eiser heeft echter niet onderbouwd waarom de bewaring hem zwaar valt. Daarnaast is de in artikel 28, derde lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening) gestelde maximumtermijn voor de bewaring nog niet verstreken. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring op dit moment onevenredig te achten.
6. Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.