ECLI:NL:RBDHA:2022:9487
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken en de aanvraag tot verlenging af te wijzen. De intrekking was gebaseerd op het feit dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland had verplaatst, onder meer vanwege een detentie in België.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was tot intrekking, maar dat er sprake was van een motiveringsgebrek omdat niet duidelijk was welk belang van de Nederlandse staat zwaarder woog dan het belang van eiser. In de bestreden beslissing heeft de staatssecretaris dit motiveringsgebrek hersteld door alle relevante feiten en omstandigheden mee te wegen, waaronder het verleden van eiser met betrekking tot uitkeringen, justitiële contacten en zijn banden met Servië.
De rechtbank oordeelt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro zorgvuldig en evenwichtig is gemaakt, waarbij een fair balance is gevonden tussen het privéleven van eiser en het Nederlandse belang bij een restrictief toelatingsbeleid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.