ECLI:NL:RBDHA:2022:899
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten na intrekking afwijzing asielaanvraag wegens onzorgvuldig handelen bestuursorgaan
Eiser diende op 24 juni 2018 een asielaanvraag in die aanvankelijk op 12 juni 2020 werd afgewezen door verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Gedurende de procedure was er sprake van een onaanvaardbaar groot tijdsverloop en verweerder verscheen niet ter zitting. Desondanks kreeg verweerder de gelegenheid het besluit aanvullend te motiveren, maar trok hij het besluit uiteindelijk zonder nadere toelichting in en besloot de asielaanvraag alsnog in te willigen.
Verweerder bood aan de proceskosten en griffiekosten te vergoeden, maar hield geen rekening met het verschijnen van eiser en zijn gemachtigde ter zitting, wat tot ongenoegen van eiser en de rechtbank leidde. Ondanks herhaalde verzoeken en waarschuwingen van de rechtbank en gemachtigde, bleef verweerder nalatig in de afwikkeling van de proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld, met name door het grote tijdsverloop en het niet adequaat reageren op verzoeken en berichten. De rechtbank wees erop dat in asielprocedures geen griffierecht verschuldigd is en dat verweerder dit niet hoeft te vergoeden. Uiteindelijk veroordeelde de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten van € 1.518,-, gebaseerd op de standaardtarieven voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en tijdigheid in bestuursrechtelijke procedures en wijst op de negatieve gevolgen van vertraging voor de rechtszoekende en diens familie.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten van € 1.518,- wegens onzorgvuldig handelen en onaanvaardbaar tijdsverloop.