Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- en de brief van mr. R.D.A. van Boom, kantoorgenoot van mr. S. Melliti, van 6 mei 2022.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzoek van een gedetineerde die een gevangenisstraf uitzit voor opiumwetdelicten en die in hoger beroep is tegen een afwijzing van verwijdering van de GVM-lijst. Hij verzoekt om een voorlopig getuigenverhoor te houden ten behoeve van een mogelijke bodemprocedure tegen de Staat wegens onrechtmatige plaatsing op de GVM-lijst.
De rechtbank overweegt dat zij bevoegd is het verzoek te behandelen omdat het getuigenverhoor ook relevant kan zijn voor een toekomstige bodemprocedure. De rechtbank benadrukt dat een voorlopig getuigenverhoor alleen wordt toegewezen als er voldoende belang is en geen misbruik van procesrecht plaatsvindt.
De Staat voert aan dat nog geen concreet voornemen tot een bodemprocedure is aangetoond, maar de rechtbank volgt de recente jurisprudentie dat dit niet vereist is bij een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor.
De rechtbank wijst het verzoek uiteindelijk af wegens het ontbreken van voldoende belang. Dit volgt mede uit een recente veroordeling van de verzoeker voor voorbereidingshandelingen tot drugproductie in detentie, waardoor de verdenking van voortgezet crimineel handelen voldoende is onderbouwd. De rechtbank veroordeelt verzoeker tevens in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende belang.