ECLI:NL:RBDHA:2022:8215
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag wegens schijnrelatie na tegenstrijdige verklaringen en onderzoek
Eiser, een Turkse nationaliteitdragende man, verzocht om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan op basis van zijn relatie met een Hongaarse partner. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees de aanvraag af wegens vermoedens van een schijnrelatie, gebaseerd op tegenstrijdige verklaringen van eiser en zijn partner tijdens een hoorzitting.
Eiser voerde aan dat hij in bezwaar nadere toelichting had gegeven en dat er geen huisbezoek was verricht, waardoor het besluit in strijd zou zijn met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht verschillende indicatoren, zoals eerdere pogingen tot verblijfsvergunning, illegale inreis en onrechtmatig verblijf, mocht meewegen bij het vermoeden van een schijnrelatie.
De rechtbank stelde vast dat eiser en zijn partner wezenlijke tegenstrijdigheden hadden in hun verklaringen over het begin van de relatie, de woning en de rol van de kinderen in het huishouden. Deze tegenstrijdigheden rechtvaardigden het oordeel dat sprake was van een schijnrelatie. Een huisbezoek was niet noodzakelijk omdat het de geconstateerde tegenstrijdigheden niet zou wegnemen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.