De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om zijn minderjarige kind terug te laten leiden naar Marokko op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De vader stelde dat de gewone verblijfplaats van het kind in Marokko was op het moment van de overbrenging naar Nederland in juni 2020 en dat hij het gezag over het kind uitoefent volgens Marokkaans recht. De moeder betwistte dit en stelde dat de vestiging in Marokko tijdelijk was en dat het kind zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Arabische Emiraten had.
De rechtbank oordeelde dat de gewone verblijfplaats van het kind onmiddellijk voorafgaand aan de overbrenging in Marokko was, gelet op het feit dat het kind daar van januari 2020 tot juni 2020 onderwijs volgde en de ouders overlegden over schoolkeuze. Het gezag berustte volgens de rechtbank gezamenlijk, waarbij de vader als wettelijk vertegenwoordiger onder Marokkaans recht het gezag uitoefent. De overbrenging naar Nederland was ongeoorloofd omdat deze zonder toestemming van de vader plaatsvond.
Echter, omdat meer dan één jaar was verstreken tussen de overbrenging en het verzoek, moest worden beoordeeld of het kind in Nederland was geworteld. De rechtbank concludeerde dat het kind, inmiddels acht jaar oud, door zijn school, sociale activiteiten en taalvaardigheid voldoende was geworteld in Nederland. De binding met Marokko was beperkt, mede doordat het kind slechts vijf maanden in Marokko had gewoond en weinig sociale contacten daar had opgebouwd.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding af en verklaarde de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken omtrent de zorgregeling, omdat die alleen in een bodemprocedure kunnen worden behandeld. De bijzondere curator werd benoemd om het belang van het kind te behartigen tijdens de procedure.