ECLI:NL:RBDHA:2022:7812
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op opheffing inreisverbod wegens onvoldoende bewijs verblijfs- en werkvergunning Polen
Eiser, van Oezbeekse nationaliteit, verzocht de opheffing van een tweejarig inreisverbod dat hem is opgelegd door verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hij stelde dat het inreisverbod hem belemmert een werkvergunning en verblijfsvergunning in Polen te verkrijgen, wat ingrijpende gevolgen voor zijn arbeidsmogelijkheden heeft. Eiser bracht naar voren dat hij geen gevaar voor de openbare orde vormt en dat zakelijke belangen en zijn afhankelijkheid van een werkvergunning onvoldoende zijn meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een werk- of verblijfsvergunning in Polen kan verkrijgen en dat het inreisverbod daarvoor een belemmering vormt. Eiser overlegde in beroep documenten van een gestelde werkgever en een brief van een Poolse provincie, maar deze toonden niet aan dat Polen een vergunning heeft verleend of voornemens is dit te doen.
Ten overvloede stelde de rechtbank dat indien Polen overweegt een verblijfsvergunning te verlenen, zij contact moeten opnemen met verweerder op grond van artikel 25 van Pro de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft gehandhaafd.