ECLI:NL:RBDHA:2022:7300
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding in familierechtelijke zaak
In deze familierechtelijke kort geding procedure heeft de vrouw een vordering tot opschorting van een zorgregeling ingediend, welke zij later heeft ingetrokken. De man stelde daarop een proceskostenveroordeling voor vanwege de onnodige kosten die door de intrekking zijn ontstaan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking de aanhangigheid van de zaak beëindigde, maar dat de procedure over de proceskosten voortgezet moest worden. De vrouw gaf geen reden voor haar intrekking, maar deze hing samen met de uithuisplaatsing van de kinderen bij de man, waardoor haar vorderingen achterhaald waren.
De rechter stelde vast dat de vrouw onnodige kosten had veroorzaakt door een nieuw kort geding aan te spannen terwijl een soortgelijke procedure al liep. Ondanks het familierechtelijke karakter van de zaak werd de vrouw daarom veroordeeld in de proceskosten. Een volledige vergoeding werd niet toegekend omdat er geen sprake was van misbruik van procesrecht.
De proceskosten aan de zijde van de man werden begroot op € 1.330,--, bestaande uit griffierecht en advocaatkosten. De kostenveroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten van € 1.330,-- na intrekking van haar kort gedingvordering.