ECLI:NL:RBDHA:2022:6983
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige in internationale kinderontvoeringszaak
De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn minderjarige kind uit Nederland naar België op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De vader stelde dat het kind ongeoorloofd was overgebracht naar Nederland door de moeder. De moeder betwistte dit en stelde dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
De rechtbank oordeelde dat het begrip gewone verblijfplaats feitelijk moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden, waaronder de intentie van de ouders, de leeftijd van het kind en de sociale en familiale omgeving. Gezien de jonge leeftijd van het kind (negen maanden) en de feitelijke vestiging van het gezin in Nederland vanaf 12 november 2021, was de gewone verblijfplaats van het kind Nederland.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van ongeoorloofde overbrenging en wees het verzoek tot teruggeleiding af. De voorlopige voogdij die was toegekend aan een stichting jeugdbescherming eindigde hierdoor van rechtswege. De rechtbank benadrukte het belang van regelmatig contact tussen vader en kind en moedigde partijen aan om via crossborder mediation tot afspraken te komen.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar België wordt afgewezen omdat de gewone verblijfplaats van het kind Nederland was.