ECLI:NL:RBDHA:2022:6474
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering heroverweging asielbesluit Irak wegens detentie
Eiser, een Iraakse asielzoeker, vroeg heroverweging van het besluit van 16 mei 2018 waarin zijn asielaanvraag werd afgewezen. Hij stelde dat hij onterecht niet in aanmerking was gekomen voor een verblijfsvergunning vanwege ernstige mishandeling tijdens niet-strafrechtelijke detentie in Irak. De staatssecretaris wees dit verzoek af, stellende dat de detentie niet strafrechtelijk was en geen grond vormt voor herziening.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het verzoek inhoudelijk heeft beoordeeld en terecht heeft geoordeeld dat de detentie geen aanleiding geeft het eerdere besluit te herzien. De rechtbank nam mee dat uit openbare bronnen blijkt dat de straf voor het bezit van valse documenten in Irak kan variëren en dat willekeurige arrestaties van soennieten niet automatisch betekent dat de opgelegde straf buitensporig was.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees proceskostenvergoedingen af. De uitspraak bevestigt dat substantiële niet-strafrechtelijke detentie geen zelfstandig grondslag vormt voor herziening van een asielbesluit, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd.
De uitspraak werd gedaan door rechter M. van Nooijen en griffier R. Kroes op 2 mei 2022. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek om heroverweging van het asielbesluit is ongegrond verklaard.