ECLI:NL:RBDHA:2022:6080
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar en afwijzing verzoek ambtshalve vermindering loonheffingen 2014
Eiseres maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2014, waarin zij stelde dat een te hoog bedrag aan loonheffingen was ingehouden. De aanslag was opgelegd op basis van lagere loonbedragen dan door eiseres in de aangifte was vermeld. Het bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, en het verzoek om ambtshalve vermindering werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar te laat was ingediend, aangezien het pas ruim drie jaar na dagtekening van de aanslag werd ontvangen. Eiseres slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de termijnoverschrijding haar niet kon worden toegerekend. Daarnaast kon eiseres geen bewijs leveren dat een hoger bedrag aan loonheffingen was ingehouden dan waar bij de aanslag rekening mee was gehouden.
Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering werd daarom ongegrond verklaard. Tevens faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de toezeggingen waarop eiseres zich beriep niet van de Belastingdienst maar van een derde afkomstig waren.
De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en gaf aan dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering loonheffingen 2014 is ongegrond verklaard.