ECLI:NL:RBDHA:2022:5895
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op verblijfsvergunning voor kinderen op grond van artikel 8 EVRM
De ouders hebben aanvankelijk een verblijfsaanvraag ingediend op grond van overige humanitaire redenen, welke is afgewezen. Inmiddels hebben zij en de kinderen verblijfsrecht op basis van EU-recht. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag van de ouders redelijk was gezien hun rechtmatige verblijf.
De kinderen hebben een aanvraag gedaan op grond van artikel 8 EVRM Pro, die eveneens werd afgewezen. De rechtbank constateert dat verweerder deze aanvraag niet adequaat heeft herbeoordeeld, ondanks eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat de belangen van de kinderen onvoldoende waren meegewogen.
De kinderen hebben hun gehele leven in Nederland doorgebracht en een omvangrijk privéleven opgebouwd, ondersteund door een orthopedagogisch rapport. Het recht op privéleven weegt zwaar en het belang van de kinderen bij het verkrijgen van een eigen verblijfsrecht is groot.
De rechtbank concludeert dat het belang van verweerder bij het handhaven van de afwijzing gering is, nu de kinderen en ouders reeds rechtmatig verblijven. De afwijzing is onredelijk bezwarend en strijdig met artikel 3:4 Awb Pro. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover het de kinderen betreft en beveelt de verlening van de verblijfsvergunning binnen twee weken.
Uitkomst: De rechtbank beveelt de verlening van verblijfsvergunningen aan de kinderen op grond van artikel 8 EVRM en vernietigt het besluit tot afwijzing.