ECLI:NL:RBDHA:2022:5304
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER op grond van Chavez-Vilchez arrest wegens bestaand verblijfsrecht in Spanje
Eiser, een Marokkaanse staatsburger met een minderjarig Nederlands kind, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER op basis van het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser een geldig verblijfsrecht in Spanje heeft en niet aannemelijk maakte dat dit recht is vervallen.
Eiser betoogde dat hij aan de voorwaarden van het arrest voldoet en dat hij zijn Spaanse verblijfsvergunning niet hoeft in te trekken. Ook stelde hij dat verweerder hem eerst duidelijkheid moest geven over zijn verblijfsrecht voordat hij stappen zou ondernemen richting de Spaanse autoriteiten. Daarnaast voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag afwees omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat zijn verblijfsrecht in Spanje is vervallen. Het minderjarige kind van eiser wordt daardoor niet gedwongen de EU te verlaten. De rechtbank vond dat verweerder niet verplicht was te motiveren waarom hij geen gebruik maakte van de ambtshalve bevoegdheid op grond van artikel 3.6b Vreemdelingebesluit 2000, omdat eiser bij de aanvraag noch in bezwaar een beroep op artikel 8 EVRM Pro had gedaan.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak kan binnen vier weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard omdat eiser een geldig verblijfsrecht in Spanje heeft.