ECLI:NL:RBDHA:2022:510
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens herstel en arbeidsvermogen
Eiser was werkzaam als assistent begeleider intensieve zorg en meldde zich ziek op 7 september 2018. Hij ontving een Ziektewetuitkering die per 12 november 2019 werd beëindigd door het UWV, omdat hij volgens het primaire besluit meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. Hij stelde dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening had gehouden met zijn klachten en beperkingen.
De rechtbank beoordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door de verzekeringsarts en dat alle klachten van eiser waren betrokken. De verzekeringsarts b&b concludeerde dat er geen medische indicatie was voor urenbeperking en dat eiser benutbare mogelijkheden had. De arbeidsdeskundige b&b bevestigde dat de geduide functies geschikt waren voor eiser en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet wijzigde.
De rechtbank vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen. Omdat eiser geen aanvullende medische stukken overlegde die een zwaardere beperking aannemelijk maakten, werd het beroep ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard.