ECLI:NL:RBDHA:2022:5034

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2022
Publicatiedatum
25 mei 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 944
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens gevaar voor volksgezondheid tijdens Covid-19-pandemie

Eisers, een vrouw met de Indiase nationaliteit en haar zoon, vroegen op 2 december 2019 visa voor kort verblijf aan voor familiebezoek in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag bij besluit van 6 december 2019 af wegens onvoldoende bewijs van de familierelatie en omstandigheden van het verblijf. Na een bezwaarprocedure en het indienen van aanvullende documenten, handhaafde de minister de afwijzing bij besluit van 21 januari 2021, nu met als grond dat eisers door de Covid-19-pandemie een gevaar voor de volksgezondheid vormen en dat voor hun land een inreisverbod geldt.

Eisers voerden aan dat de minister onterecht de aanvragen afwees op basis van het gevaar voor de volksgezondheid, terwijl ook voorwaardelijke visa mogelijk zijn en de minister bij andere categorieën vreemdelingen een andere handelswijze hanteert. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht een volledige heroverweging heeft verricht op basis van de feiten en omstandigheden op dat moment, waarbij het gevaar voor de volksgezondheid en het inreisverbod leidend waren. Er was geen verplichting om rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen of onzekere omstandigheden.

De rechtbank benadrukt dat de verschillende werkwijzen van de minister bij mvv-, bewarings- en inburgeringszaken gerechtvaardigd zijn gezien de verschillende aard van die procedures ten opzichte van visumaanvragen voor kort verblijf. Omdat geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun visumaanvragen kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege het gevaar voor de volksgezondheid en het inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/944

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2022 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

v-nummer: [V-nummer],
mede voor haar zoon,
samen aangeduid als eisers
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om visa voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 21 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. [1]

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1973 en heeft de Indiase nationaliteit. Zij heeft op 2 december 2019, mede voor haar zoon, een aanvraag ingediend voor afgifte van visa voor kort verblijf voor familiebezoek bij haar zus en zwager.
2. Verweerder heeft met het primaire besluit de aanvraag van eisers afgewezen, omdat de familierelatie met referent, en daarmee het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende is aangetoond. Het bezwaar van eisers tegen dit besluit heeft verweerder met het besluit van 24 maart 2020 ongegrond verklaard, waartegen eisers beroep hebben ingediend.
3. Op 14 december 2020 heeft verweerder het besluit op bezwaar van 24 maart 2020 ingetrokken en medegedeeld opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen, omdat eisers in beroep een uittreksel van de Basisregistratie Personen hebben ingebracht.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers alsnog ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van de visumaanvragen gehandhaafd. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eisers door de Covid-19-pandemie een bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Eisers komen uit een land waarvoor een inreisverbod geldt voor niet-essentiële reizen. Omdat niet is gebleken dat eisers een essentiële functie hebben of hun aanwezigheid in Nederland een wezenlijk belang dient, vallen zij niet onder de uitzonderingscategorieën van personen die wel in aanmerking komen voor een visum.
Waarom zijn eisers het niet eens met verweerder?
5. Eisers betogen dat verweerder een onjuiste werkwijze hanteert door hun aanvragen voor visa voor kort verblijf af te wijzen op de enkele grond dat zij een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Visa voor kort verblijf kunnen ook voorwaardelijk worden verstrekt. In dit kader wijzen eisers erop dat verweerder sinds de pandemie wel mvv’s [2] onder voorwaarden heeft verleend, de geldigheidsduur daarvan heeft verlengd en bij de eerste lockdown de geldigheidsduur van visa voor kort verblijf heeft verlengd van vreemdelingen die op dat moment in Nederland verbleven. Daarnaast is het willekeurig dat verweerder bij bewarings- en inburgeringszaken betoogt dat de Covid-19-pandemie tijdelijk is, maar nalaat dit argument bij visumzaken mee te wegen. Het bestreden besluit is volgens eisers ondeugdelijk voorbereid, in strijd met het verbod op willekeur en ondeugdelijk gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het bestreden besluit de aanvragen van eisers om visa voor kort verblijf terecht heeft afgewezen, omdat zij op het moment van het bestreden besluit een gevaar vormden voor de volksgezondheid. Verweerder stelt terecht dat hij in bezwaar een volledige heroverweging moet verrichten, waarbij hij de aanvraag toetst in het licht van de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn, en er geen aanleiding bestond om voorwaardelijke visa te verstrekken. [3] Er bestaat namelijk geen verplichting om rekening te houden met toekomstige, onzekere gebeurtenissen. In dat kader stelt verweerder terecht dat op het moment van het bestreden besluit onduidelijk was voor welke landen er reisbeperkingen zouden blijven gelden, hoelang en of er mogelijk nieuwe reisbeperkingen zouden volgen. Dit maakt dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat tijdige terugkeer van eisers naar hun land van herkomst onvoldoende was gewaarborgd. [4] Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het feit dat verweerder genoodzaakt was om in een aantal gevallen de geldigheidsduur van visa te verlengen van vreemdelingen die al in Nederland verbleven maar niet konden uitreizen, aantoont dat tijdige terugkeer niet was gewaarborgd.
7. Voor zover eisers betogen dat verweerder bij mvv-, bewarings- en inburgeringszaken ten onrechte een andere handelswijze hanteert, brengt dit de rechtbank niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Dit soort zaken verschillen met aanvragen voor visa voor kort verblijf, wat rechtvaardigt dat verweerder verschillende werkwijzen hanteert. Mvv- en inburgeringszaken zien op vreemdelingen die zich in Nederland (willen) vestigen, waar tijdige terugkeer op eigen gelegenheid geen rol speelt. Dit is bij een aanvraag voor een visum voor kort verblijf juist wel van belang. Ook bewaringszaken verschillen van zaken die zien op visa voor kort verblijf, omdat het ook in bewaringszaken juist niet gaat om (tijdige) terugkeer op eigen gelegenheid, maar om gedwongen uitzetting.
Conclusie
8. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
9. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Machtiging tot voorlopig verblijf.
3.Zie onder meer de uitspraken van deze rechtbank van 8 december 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:12483) en van 19 januari 2021, zittingsplaats Utrecht (ECLI:NL:RBDHA:2021:289), rechtsoverwegingen 6 - 6.4.
4.Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 20 juli 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:7147), zie rechtsoverweging 5.1.