ECLI:NL:RBDHA:2022:5034
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens gevaar voor volksgezondheid tijdens Covid-19-pandemie
Eisers, een vrouw met de Indiase nationaliteit en haar zoon, vroegen op 2 december 2019 visa voor kort verblijf aan voor familiebezoek in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag bij besluit van 6 december 2019 af wegens onvoldoende bewijs van de familierelatie en omstandigheden van het verblijf. Na een bezwaarprocedure en het indienen van aanvullende documenten, handhaafde de minister de afwijzing bij besluit van 21 januari 2021, nu met als grond dat eisers door de Covid-19-pandemie een gevaar voor de volksgezondheid vormen en dat voor hun land een inreisverbod geldt.
Eisers voerden aan dat de minister onterecht de aanvragen afwees op basis van het gevaar voor de volksgezondheid, terwijl ook voorwaardelijke visa mogelijk zijn en de minister bij andere categorieën vreemdelingen een andere handelswijze hanteert. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht een volledige heroverweging heeft verricht op basis van de feiten en omstandigheden op dat moment, waarbij het gevaar voor de volksgezondheid en het inreisverbod leidend waren. Er was geen verplichting om rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen of onzekere omstandigheden.
De rechtbank benadrukt dat de verschillende werkwijzen van de minister bij mvv-, bewarings- en inburgeringszaken gerechtvaardigd zijn gezien de verschillende aard van die procedures ten opzichte van visumaanvragen voor kort verblijf. Omdat geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun visumaanvragen kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege het gevaar voor de volksgezondheid en het inreisverbod.