ECLI:NL:RBDHA:2022:3042
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht Unieburger wegens ernstige bedreiging samenleving
Eiser, een Poolse Unieburger, werd door verweerder het verblijfsrecht in Nederland ontnomen en ongewenst verklaard op grond van zijn persoonlijke gedrag dat een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit besluit werd genomen mede vanwege eerdere veroordelingen van eiser voor diefstal met geweld en andere diefstallen, samenhangend met een drugsverslaving.
Eiser voerde aan dat het Unierecht geen grondslag biedt voor de ongewenstverklaring en dat deze maatregel ook niet aan Nederlandse burgers kan worden opgelegd, en verzocht om prejudiciële vragen over de verenigbaarheid met het Unierecht. De rechtbank oordeelde dat artikel 8:22 van Pro het Vreemdelingenbesluit, dat de ongewenstverklaring regelt, de implementatie is van relevante artikelen uit de Verblijfsrichtlijn en dat de procedurele autonomie van lidstaten geldt voor aanwijzing van bevoegde autoriteiten.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat artikel 15, derde lid van de Verblijfsrichtlijn de maatregel zou verbieden, omdat dit artikel alleen ziet op beperkingen om andere redenen dan openbare orde. Ook het non-discriminatiebeginsel werd niet geschonden, aangezien het verblijfsrecht van Nederlandse burgers anders is geregeld dan dat van andere Unieburgers.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De rechtbank wees tevens het verzoek om griffierechtvrijstelling toe en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.