Eiser stelde dat hij economische eigendom had verkregen van het recht van erfpacht op een perceel met een dienstwoning, waardoor hij aanspraak maakte op de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting 2015. De erfverpachter had echter geen toestemming verleend voor de economische levering van het erfpachtrecht aan eiser, zoals vereist in de erfpachtvoorwaarden.
De rechtbank stelde vast dat de erfverpachter wel toestemming gaf voor de bouw van een nieuwe woning, maar niet voor de overdracht van het erfpachtrecht zelf. Eiser kon dit niet met bewijs onderbouwen en het gedogen door de erfverpachter werd niet als toestemming aangemerkt. De notariële akte van economische levering bood geen garantie voor een rechtsgeldige overdracht zonder toestemming.
Juridisch werd beoordeeld dat economische eigendom alleen ontstaat bij een geldige overdracht, en dat een woning op erfpachtgrond zonder zakelijke rechten geen eigen woning is volgens de Wet IB 2001. De rechtbank verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat eiser bekend was met het ontbreken van toestemming. Hierdoor was geen sprake van een eigen woning en waren de aftrekposten onterecht opgevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak bevestigt dat de eigenwoningregeling strikt wordt toegepast en dat toestemming van de erfverpachter essentieel is voor het verkrijgen van economische eigendom van erfpachtgrond.