ECLI:NL:RBDHA:2022:2044
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens verplaatsing hoofdverblijf en afwijzing verlenging zonder geldige mvv
Eiseres had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die zij van 2008 tot 2018 bezat. Eind 2013 vertrok zij met haar echtgenoot naar Angola, waar zij langer dan zes maanden verbleef, hetgeen leidde tot intrekking van haar vergunning met terugwerkende kracht tot maart 2014. In 2020 keerde zij met haar kinderen terug naar Nederland en vroeg zij verlenging van haar verblijfsvergunning aan.
De kern van het geschil betreft de vraag of eiseres haar hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd en of de verlengingsaanvraag terecht is afgewezen omdat zij niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikt. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar langdurige verblijf buiten Nederland buiten haar schuld of invloed was, mede omdat zij pas na vijf jaar verblijf in Angola wilde terugkeren.
Verder is vastgesteld dat de verlengingsaanvraag niet tijdig is ingediend en dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 EVRM Pro of de hardheidsclausule. De rechtbank volgt de motivering van verweerder dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die vrijstelling rechtvaardigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de verlengingsaanvraag blijven in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de intrekking van haar verblijfsvergunning en afwijzing van de verlengingsaanvraag worden bevestigd.