ECLI:NL:RBDHA:2022:1707
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid lesbische geaardheid
Eiseres, van Zimbabwaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in met als grond haar lesbische geaardheid. De eerste aanvraag en het daaropvolgende beroep waren reeds afgewezen en onherroepelijk verklaard. Verweerder wees de opvolgende aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de geloofwaardigheid van de lesbische geaardheid werd betwijfeld.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de aanvraag zorgvuldig had onderzocht volgens de werkinstructie WI 2019/17, waarbij onder meer werd gekeken naar persoonlijke ervaringen, relaties en kennis van lhbti-kwesties. Verweerder vond dat eiseres onvoldoende inzicht had gegeven in haar eigen gevoelens en strijd, en dat haar verklaringen tegenstrijdig waren, onder andere over het moment waarop zij zich bewust werd van haar geaardheid.
Ook de relatieverklaringen en de uitleg over haar religieuze overtuiging werden als ongeloofwaardig beoordeeld. Daarnaast vond verweerder dat eiseres onvoldoende kon verklaren waarom zij haar asielmotief niet eerder had aangevoerd, ondanks haar kennis sinds 2018 dat zij in Nederland open kon zijn over haar geaardheid.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van de lesbische geaardheid.