ECLI:NL:RBDHA:2022:1633

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2022
Publicatiedatum
2 maart 2022
Zaaknummer
NL22.791
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Vreemdelingenwet 2000VluchtelingenverdragArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres, met de Syrische nationaliteit, diende op 7 september 2021 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Nederland heeft een verzoek tot terugname aan Italië gedaan, dat is geaccepteerd.

Eiseres betoogde dat Italië haar internationale verplichtingen niet nakomt, waardoor zij bij terugkeer risico loopt op schending van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM Pro. Zij verwees naar het ontbreken van tolk en raadsman, slechte opvangvoorzieningen, het verplicht afstaan van vingerafdrukken en vreest discriminatie en indirect refoulement.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel geldt en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Italië zich niet aan haar verplichtingen houdt of dat er systematische tekortkomingen zijn die een reëel risico vormen. De persoonlijke ervaringen van eiseres zijn onvoldoende onderbouwd en het claimakkoord garandeert behandeling conform Europese richtlijnen.

De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die overdracht aan Italië onredelijk maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.791

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.792, op 9 februari 2022 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1973 en de Syrische nationaliteit te bezitten. Zij heeft op 7 september 2021 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. [2] In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Italië zal ten aanzien van haar haar internationale verplichtingen niet nakomen, zodat zij bij terugkeer in een situatie terecht zal komen die in strijd is met het Vluchtelingenverdrag [3] of artikel 3 van Pro het EVRM. [4] Zij heeft in Italië geen tolk of raadsman gehad, geen opvangvoorzieningen, verplicht haar vingerafdrukken moest afstaan, en dat zij vreest voor discriminatie en slechte behandeling. Ook vreest eiseres bij overdracht indirect refoulement. Verweerder is op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening gehouden de behandeling van haar aanvraag aan zich te trekken, nu eiseres afkomstig is uit het oorlogsgebied in Syrië.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Vaststaat dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat daar in haar geval niet van kan worden uitgegaan.
5. Eiseres heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat Italië zich ten opzichte van haar niet aan haar internationale verplichtingen houdt of dat er in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen waardoor eiseres een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. [5] Eiseres heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele gebreken in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem. Bovendien heeft de Afdeling [6] in verschillende (recente) uitspraken geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [7] De verwijzing van eiseres naar de brief van VluchtelingenWerk met bijlagen maakt dat niet anders. Deze brief met bijlagen schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij hiervoor genoemde uitspraken is betrokken.
6. Ook de verklaringen van eiseres over haar eigen ervaringen in Italië bieden geen aanknopingspunten voor een andere conclusie. Eiseres heeft de behandeling van haar asielaanvraag in Italië niet heeft afgewacht, hetgeen zal verklaren waarom zij geen tolk of een raadsman heeft gehad. De vrees van eiseres dat zij in Italië niet zal worden beschermd en daar geen toegang zal hebben tot elementaire voorzieningen, is dus niet gestoeld op haar eigen ervaringen. Verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat Italië met het claimakkoord de garantie heeft gegeven dat de asielaanvraag van eiseres, met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen, in behandeling wordt genomen. Dat betekent ook dat er geen sprake zal zijn van uitzetting naar het land van herkomst in strijd met het verbod van refoulement. Voor zover eiseres stelt dat Italië in strijd handelt met deze richtlijnen, kan en dient zij daarover te klagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten. Eiseres heeft niet onderbouwd dat dit voor haar niet mogelijk zou zijn of dat de Italiaanse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen.
7. De door eiseres aangevoerde omstandigheid dat zij uit het oorlogsgebied in Syrië komt, kan niet worden gezien als een bijzondere individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiseres aan Italië van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Italië. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Uitspraken van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2129, 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, 25 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:464 en 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881.