ECLI:NL:RBDHA:2022:14866
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en middelenvereiste
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te wijzen. De afwijzing was gebaseerd op twijfels over de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie met referent, alsmede het niet voldoen aan het middelenvereiste.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht twijfels heeft bij de identiteit en de familierechtelijke relatie, vanwege inconsistenties in documenten zoals geboorteakte, paspoort en toestemmingsverklaring van de moeder. Eiser heeft onvoldoende pogingen gedaan om deze onduidelijkheden weg te nemen, ook een DNA-onderzoek zou niet alle twijfels wegnemen.
Verder is vastgesteld dat referent een WGA-uitkering ontvangt en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste, omdat volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid vereist is, waarvoor een IVA-uitkering nodig is.
De rechtbank concludeert dat de hoorplicht niet is geschonden en het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard.