ECLI:NL:RBDHA:2022:14520
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.M.H. van der Poort - Schoenmakers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet tijdig beslissen en besluit verblijfsvergunning asiel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 3 oktober 2021. Verweerder heeft op 28 juni 2022 alsnog een besluit genomen en een verblijfsvergunning verleend. De rechtbank constateert dat eiser tijdig een ingebrekestelling heeft gedaan en daarna beroep heeft ingesteld, maar dat het besluit inmiddels is genomen waardoor het belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen is komen te vervallen.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk. Wel veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser vanwege de overschrijding van de beslistermijn. Daarnaast is het beroep gericht tegen het besluit zelf mede aan de orde. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.
De rechtbank volgt de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 2022, waarin is bevestigd dat de Tijdelijke wet niet in strijd is met het Unierecht. Daarom is het beroep tegen het besluit ongegrond. De rechtbank wijst het beroep tegen het besluit af en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten van €379,50.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit ongegrond en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.