ECLI:NL:RBDHA:2022:1414
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Draaginsigne Gewonden wegens onvoldoende bewijs gevechtshandelingen
Eiser, een voormalig dienstplichtig militair uitgezonden naar Libanon in 1983, vroeg om toekenning van het Draaginsigne Gewonden (DIG). Na afwijzing van zijn aanvraag en bezwaar door de staatssecretaris van Defensie, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag.
De kern van het geschil betrof de vraag of eiser voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij direct betrokken was bij gevechtshandelingen of andere vormen van excessief geweld zoals vereist in artikel 3 van Pro het Besluit Draaginsigne Gewonden 2017. Hoewel eiser een militair invaliditeitspensioen (MIP) had gekregen vanwege PTSS, betekent dit niet automatisch dat hij ook recht heeft op het DIG.
De rechtbank oordeelde dat de formele rechtskracht van het besluit tot toekenning van het MIP niet bindend is voor de beoordeling van de DIG-aanvraag. De door eiser overgelegde bewijsstukken, waaronder een e-mail van een getuige, waren onvoldoende om de exacte omstandigheden en betrokkenheid van eiser vast te stellen. Het advies van de Centrale Adviescommissie Draaginsigne Gewonden (CADIG) om de aanvraag af te wijzen werd gevolgd.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het beroep ongegrond verklaarde en dat eiser geen recht heeft op het DIG. De proceskosten werden niet toegewezen aan eiser.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor het Draaginsigne Gewonden wordt ongegrond verklaard.