Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 3 oktober 2021. Tijdens de procedure heeft verweerder de aanvraag op 15 juli 2022 ingewilligd, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen zijn procesbelang verloor.
Eiser handhaafde het beroep echter deels gericht op het opleggen van een bestuurlijke dwangsom wegens de vertraging. De rechtbank overweegt dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND de toepassing van de bestuurlijke dwangsomregeling op asielaanvragen uitsluit. Eiser stelde dat deze wet in strijd is met het Unierecht, met name het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie en de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bevestigt dat het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel van het Unierecht. Omdat eiser met het beroep geen belang meer heeft, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Tot slot veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser wegens het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen, vastgesteld op €379,50.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en verweerder is veroordeeld in de proceskosten van eiser.