ECLI:NL:RBDHA:2022:13974
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing uitstel van vertrek wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker, een minderjarige burger van de Democratische Republiek Congo, heeft een aanvraag om uitstel van vertrek ingediend vanwege aanzienlijke medische klachten. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek afgewezen op grond van een advies van het Bureau Medische Advisering, waarin staat dat verzoeker in staat is te reizen en geen medische noodsituatie op korte termijn verwacht wordt.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting tijdens de bezwaarprocedure te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien er sprake is van onverwijlde spoed. Verweerder heeft gesteld dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor een uitzetting op korte termijn en dat verzoeker tijdig geïnformeerd zal worden, zodat een voorlopige voorziening dan alsnog kan worden aangevraagd.
De voorzieningenrechter volgt deze stelling en constateert dat de uitzetting een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Ook is niet gebleken dat de opvang bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) wordt beëindigd. Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Daarom is het spoedeisend belang niet aanwezig en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.M. de Keuning en griffier A.M. Petersen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.