Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2022 in de zaak tussen
[eiser] h.o.d.n. “[h.o.d.n.]”, wonende te [vestigingsplaats], eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
31 december 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Daarbij is tevens een verzuimboete opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.
Overwegingen
[h.o.d.n.].
“2.1 Activiteiten
1 januari 2007tot en met
31 augustus 2019geen omzet behaald. (…).
1 januari 2015.
9 oktober 2019 heeft de heer [eiser] aangegeven dat er tot dan geen omzet was gerealiseerd vanaf de start van de onderneming.
Geschil6. In geschil is of de teruggaven van de aangegeven voorbelasting over het tijdvak
Algemene wet bestuursrecht, tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het een voor bezwaar vatbare beschikking betreft.
1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 is terecht geweigerd.
artikel 20, eerste lid, AWR, wordt met geheel of gedeeltelijk niet betaald gelijk gesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaaf van belasting is verleend. Dit artikel is ingevolgde het vierde lid van artikel 67c AWR van overeenkomstige toepassing. Op grond van paragraaf 24 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst kan de inspecteur een boete van 10% van de verschuldigde belasting opleggen. De verzuimboete vervalt slecht wanneer sprake is van afwezigheid van alle schuld, een pleitbaar standpunt of wanneer sprake is van een vrijwillige verbetering van het bedrag. Van afwezigheid van alle schuld is slechts sprake wanneer eiser geen enkel verwijt kan worden gemaakt, waarbij de bewijslast op eiser berust.
Beslissing
btw-identificatienummer niet-ontvankelijk.