ECLI:NL:RBDHA:2022:13290

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2022
Publicatiedatum
9 december 2022
Zaaknummer
NL22.20228
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieDublinverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens Dublinverordening en verantwoordelijkheid Spanje

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft vastgesteld dat Spanje inderdaad verantwoordelijk is en dat er geen beletselen zijn om eiser aan Spanje over te dragen. Eiser voerde aan dat de opvangomstandigheden in Spanje ondermaats zijn, maar verweerder stelde dat Spanje gebonden is aan Europese asielrichtlijnen en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

De rechtbank oordeelde dat de tekortkomingen in het Spaanse asielsysteem niet van dien aard zijn dat artikel 4 van Pro het Handvest wordt geschonden. Ook werd geoordeeld dat de voorkeur van eiser om in de buurt van zijn schoonzus te verblijven geen bijzondere individuele omstandigheid vormt die inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag rechtvaardigt.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20228
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N. Wouters), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.20229 en gelijktijdig met de
zaken NL22.20230 en NL22.20231, op 18 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N.M. Faes-Matsko. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Spanje onder de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat er geen beletselen zijn gebleken om eiser over te dragen aan Spanje. Daarbij is verweerder ingegaan op de zienswijze van eiser in het aan hem uitgebrachte voornemen.
3. Eiser heeft in beroep herhaald dat in het geval van Spanje niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat uit de bij de zienswijze gevoegde informatie van 1 oktober 2022 van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) volgt dat de opvangomstandigheden in Spanje ondermaats zijn.
4. Verweerder heeft hiervan terecht opgemerkt dat Spanje ook gebonden is aan de Europese asielrichtlijnen en dat in het geval van Spanje tot op heden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt uitgegaan. Voor zover uit de in de brief van VWN blijkt van een algemeen tekort aan opvangplaatsen in Spanje, geldt dat de in de brief genoemde bronnen geen ander beeld schetsen dan al is betrokken in de rechtspraak. Verweerder wijst in dat verband in het verweerschrift terecht op uitspraken van de Afdeling1 van 8 juli 20212 en 12 mei 20223. Deze tekortkoming in het Spaanse asielsysteem is niet van zodanige aard en omvang dat daardoor artikel 4 van Pro het Handvest wordt geschonden. Uit het door VWN genoemde AIDA rapport4 van 29 april 2022 blijkt dat de Spaanse overheid zich inspant om de opvangcapaciteit te vergroten en te verbeteren. Dat er desondanks tot op heden druk staat op de asielopvang in Spanje laat onverlet dat eiser daar aanspraak maakt op opvang en dat zij kan klagen over een eventuele schending van zijn rechten.
5. Daarbij geldt dat de Spaanse autoriteiten zijn geïnformeerd over de terugkeer van eiser en zijn echtgenote en hun kind als gezin en dat het AIDA rapport vermeldt dat Spanje bij de opvang van asielzoekers de eenheid van het gezin respecteert5. Van bijzondere kwetsbaarheid en daarmee samenhangende specifieke opvangbehoeften van eiser of zijn gezinsleden is niet gebleken.
6. Voor wat betreft de omstandigheid dat eiser in de buurt van zijn schoonzus en haar kind wilt verblijven, is uit de verklaringen van eiser gebleken dat zij geen gezinslid van eiser is en dat evenmin sprake is van afhankelijkheid in de zin van de Dublinverordening. De algemene voorkeur van eiser om hier in de buurt van een familielid te zijn heeft verweerder niet hoeven aan te merken als een bijzondere individuele omstandigheid die ertoe zou moeten leiden dat de asielaanvraag van eiser alsnog inhoudelijk moet worden beoordeeld. Dat geldt ook voor de banden die eiser gedurende zijn procedure in Nederland opbouwt.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4 Asylum Information Database.
5 AIDA rapport, pagina 105.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR23464845

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.