ECLI:NL:RBDHA:2022:13265
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige verklaringen over etnisch geweld
Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van asiel vanwege vermeende aanvallen door een gewelddadige groepering vanwege zijn etnische afkomst. Hij stelde dat hij twee keer was mishandeld, bestolen en bedreigd met de dood.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de verklaringen van eiser over de incidenten vaag, tegenstrijdig en onvoldoende concreet waren, waardoor de geloofwaardigheid ontbrak. De rechtbank bevestigde dit oordeel na behandeling van het beroep op zitting, waarbij werd overwogen dat eiser niet kon aangeven wanneer de aanvallen precies plaatsvonden, hoeveel daders erbij betrokken waren, noch hoe hij wist dat het om de genoemde groepering ging.
Eiser voerde aan dat zijn status als slachtoffer van geweld zijn herinneringen beïnvloedde en dat hij consistent had verklaard. Ook verwees hij naar bronnen over etnische conflicten in Soedan. De rechtbank oordeelde echter dat deze argumenten onvoldoende waren om de algemene en tegenstrijdige verklaringen weg te nemen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag als ongegrond had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardige verklaringen.