ECLI:NL:RBDHA:2022:13188
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen weigering machtiging tot voorlopig verblijf wegens middelenvereiste
Eiser, van Somalische nationaliteit, heeft meerdere malen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij zijn echtgenote in Nederland te verblijven. Eerdere aanvragen en bezwaren werden afgewezen. De huidige zaak betreft de derde mvv-aanvraag van 18 juni 2021, die werd afgewezen vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste en inburgeringsvereiste.
Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen vrijstelling van het middelenvereiste heeft verleend, omdat zijn echtgenote langdurig is vrijgesteld van arbeidsinschakeling vanwege zorgtaken en onvoldoende taalvaardigheid. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom vrijstelling niet mogelijk is, mede gelet op stukken van de gemeente Apeldoorn waaruit blijkt dat de echtgenote formeel en feitelijk vrijgesteld is geweest van arbeidsinschakeling.
De rechtbank stelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Ook is het besluit in strijd met artikel 7:2 Awb Pro omdat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet een nieuw besluit nemen.