Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Procesverloop
1 april 2020, de bijstandsuitkering van eiser per 3 maart 2020 ingetrokken.
Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.
Overwegingen
1 maart 2020 opgeschort, omdat eiser de gevraagde gegevens nog altijd niet verstrekt heeft. Eiser wordt nogmaals in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens te verstrekken, ditmaal voor 1 april 2020. Vervolgens is de bijstandsuitkering van eiser per 1 maart 2020 ingetrokken, omdat het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft eiser telefonisch contact opgenomen met verweerder. Naar aanleiding hiervan is eiser op 18 mei 2020 telefonisch door een medewerker van het team Handhaving & Fraude SZW geconfronteerd met de bevindingen van het rechtmatigheidsbezoek en heeft eiser een verklaring afgelegd. Bij besluit van 18 mei 2020 heeft verweerder onder intrekking van zijn eerdere besluit de bijstandsuitkering van eiser per 3 maart 2020 ingetrokken, omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Verweerder heeft het recht van eiser op bijstand niet ingetrokken over een afgebakende periode. Dat betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van
3 maart 2020 (de datum met ingang waarvan het recht is ingetrokken) tot en met
8 mei 2020 (de datum van het intrekkingsbesluit).
Bij de intrekking van een uitkering als in dit geval, is het in beginsel aan verweerder om aannemelijk te maken dat ten onrechte bijstand is verstrekt. Dit laat echter onverlet dat de bijstandsontvanger gehouden is aan verweerder juiste en volledige inlichtingen te verschaffen omtrent zijn woon- en leefsituatie en zo nodig desgevraagd verdere openheid van zaken te geven. Als dat niet naar behoren gebeurt kan, nu de feitelijke woon- en leefsituatie voor de toepassing van de Pw een essentieel gegeven vormt, (de omvang van) het recht op bijstand niet of niet langer worden vastgesteld. Het ligt in dat geval op de weg van de bijstandsontvanger om aan te tonen dat hij desondanks recht heeft op bijstand in de betreffende perioden. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient aan de hand van concrete feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.
Aan de rapportage van het huisbezoek van 4 maart 2020 ontleent de rechtbank het volgende. Er werd opengedaan door een man met de Bulgaarse nationaliteit, die verklaarde dat hij de woning huurt voor € 300,- per maand exclusief gas, licht en water, en dat hij daar woont met zijn gezin (vrouw en 2 kinderen). Vervolgens is de woning geïnspecteerd. Daarbij zijn geen persoonlijke eigendommen van eiser aangetroffen. Deze bevindingen, bezien in samenhang met de informatie die het team Handhaving & Fraude SZW van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag al had verkregen uit het onderzoek dat voorafgaande aan het huisbezoek had plaatsgevonden, leveren voldoende grondslag op voor het standpunt van verweerder dat eiser in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, en dat hij blijkbaar elders verbleef. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen van verweerder onjuist zijn. Ook heeft hij geen enkel bewijs geleverd voor de stelling dat hij slechts tijdelijk naar het buitenland was afgereisd en dat hij als gevolg van de coronacrisis niet terug kon keren. Dat eiser enkel een man met Bulgaarse nationaliteit de opdracht heeft gegeven om zijn huis in de gaten te houden, is evenmin aannemelijk, gelet op de verklaring van deze man dat hij de woning met zijn gezin huurt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, uitsluitend voor zover daarbij is nagelaten om de kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden;
- bepaalt dat verweerder alsnog de kosten van de bezwaarprocedure vergoedt, zijnde een bedrag van € 541,-;
- veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft gemaakt tot een bedrag van € 759,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht (€ 48,-) vergoedt.
mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
23 november 2022.