ECLI:NL:RBDHA:2022:12837
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die in een bestuursrechtelijke zaak het verzoek tot aanhouding van de behandeling had afgewezen. Verzoeker stelde dat de rechter vooringenomen was omdat hij meer waarde hechtte aan de mededeling van de voormalige gemachtigde dan aan zijn eigen verklaring.
De wrakingskamer oordeelt dat een wrakingsverzoek alleen kan slagen als er sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. De afwijzing van een aanhoudingsverzoek is een procedurele beslissing en kan op zichzelf geen grond voor wraking zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit anders maken.
In deze zaak zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die wijzen op een dergelijke uitzonderingssituatie. De rechter heeft zorgvuldig gehandeld door navraag te doen bij de griffie en gemachtigde. Het afwijzen van het aanhoudingsverzoek betekent niet dat de rechter vooringenomen is.
De wrakingskamer legt geen wrakingsverbod op omdat geen misbruik van bevoegdheid is vastgesteld. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet.