ECLI:NL:RBDHA:2022:12526
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunningen kennismigrant en gezinsleden wegens beëindiging arbeidsovereenkomst en verblijf
Eiser, een kennismigrant, en zijn gezinsleden hadden verblijfsvergunningen voor Nederland. Verweerder trok de vergunningen met terugwerkende kracht in nadat de werkgever van eiser meldde dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd en eiser naar Iran was teruggekeerd. Eisers voerden aan dat de intrekking onzorgvuldig was en dat verweerder de bodemprocedure tegen de werkgever had moeten afwachten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zorgvuldig had gehandeld, onder meer door eisers gelegenheid te geven hun zienswijze te geven en te verwijzen naar een vonnis waarin werd aangenomen dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd. De rechtbank stelde dat verweerder niet verplicht was de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten.
Ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunningen van de minderjarige kinderen, die nooit hoofdverblijf in Nederland hadden gevestigd, oordeelde de rechtbank dat dit niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. De scheiding van het gezin was door eisers zelf veroorzaakt en er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigden.
De rechtbank wees de beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen af en veroordeelde eisers niet in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen.