ECLI:NL:RBDHA:2022:12150
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verwijdering documenten uit personeelsdossier afgewezen; beroep gegrond verklaard
Eiseres verzocht op 5 november 2019 om verwijdering van bepaalde documenten uit haar personeelsdossier vanwege onrechtmatige behandeling en negatieve dossieropbouw in de periode 2017-2019. Dit verzoek werd door de HR-servicedesk afgewezen omdat de bewaartermijn nog niet was verstreken en toestemming van de leidinggevende nodig was. Na een bezwaarprocedure handhaafde verweerder het besluit tot weigering.
Eiseres stelde dat zij tijdens een gesprek in juni 2019 was toegezegd dat haar dossier zou worden opgeschoond, maar dat dit niet gebeurde. Bovendien werden juist oudere, haar onbekende verslagen aan het dossier toegevoegd zonder haar zienswijze. De rechtbank overwoog dat stukken in een personeelsdossier doorgaans normale sturingsmiddelen zijn die de rechtspositie van een ambtenaar niet direct raken en daarom niet gelijkgesteld kunnen worden aan een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.
De rechtbank stelde vast dat verweerder deze rechtsopvatting niet had onderkend in het bestreden besluit, waardoor het besluit vernietigd werd. Het bezwaar tegen de weigering tot verwijdering werd niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiseres. De rechtbank kende een forfaitaire vergoeding toe voor rechtsbijstand en reiskosten.
De uitspraak is gedaan door rechter D. Biever en griffier A.J. van Rossum op 17 november 2022. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.