ECLI:NL:RBDHA:2022:11932
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant wegens onvolledigheid
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het doel arbeid te verrichten als kennismigrant. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat deze niet compleet was en niet duidelijk was dat eiser een werkgever had die hem als kennismigrant wilde aannemen.
Eiser stelde dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen om de aanvraag aan te vullen en dat hij ten onrechte niet was gehoord in de bezwaarfase. Verweerder handhaafde het besluit en stelde dat eiser verantwoordelijk was voor het aanleveren van de benodigde stukken en dat hij voldoende gelegenheid had gehad om de aanvraag te completeren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen. Eiser had niet gereageerd op een duidelijke brief waarin verweerder aangaf welke stukken ontbraken en had ook in de bezwaarfase geen aanvullende stukken ingediend. De rechtbank vond dat verweerder niet verplicht was eiser te horen, omdat eiser geen contact had gezocht en onvoldoende inspanningen had verricht.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was beslist en er geen connexiteit meer bestond. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning kennismigrant wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.