ECLI:NL:RBDHA:2022:11921
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek afkoelingsperiode wegens ontbreken WHOA-toestand en concreet akkoord
Verzoekster, een besloten vennootschap, verzocht de rechtbank om een afkoelingsperiode af te kondigen op grond van artikel 376 Faillissementswet Pro, teneinde een onderhands akkoord voor schuldeisers voor te bereiden en een geplande executieveiling te schorsen. Zij stelde dat het pand, haar enige bezitting, meerwaarde heeft na ontwikkeling en dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de continuïteit van haar onderneming te waarborgen.
De hypotheekhouder en andere belanghebbenden betwistten het verzoek, stellende dat er geen zicht is op inkomsten, geen concreet herstructureringsplan bestaat, en dat de gemeente nog geen zekerheid heeft gegeven over de bestemmingswijziging die noodzakelijk is voor het pand. Ook ontbraken relevante financiële gegevens die de levensvatbaarheid van verzoekster ondersteunen.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet in de WHOA-toestand verkeert zoals bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw Pro, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar schulden niet kan blijven betalen en dat er een realistisch perspectief bestaat op een akkoord binnen twee maanden. De onduidelijkheid over de bestemmingswijziging en het ontbreken van een concreet akkoord en financiële onderbouwing maakten dat het verzoek werd afgewezen.
Omdat het verzoek tot afkoelingsperiode werd afgewezen, was er geen grond voor opheffing van de beslagen op het pand. De rechtbank wees het verzoek van verzoekster dan ook af.
Uitkomst: Het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode wordt afgewezen wegens ontbreken van WHOA-toestand en concreet zicht op akkoord.