ECLI:NL:RBDHA:2022:11889
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken afhankelijkheidsrelatie met familielid
Eiseres, met de Jemenitische nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij haar zoon, die een verblijfsvergunning in Nederland heeft, te verblijven. De aanvraag werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie en het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eiseres erkende zelf dat er geen afhankelijkheid bestaat.
De rechtbank behandelde het beroep samen met de zaak van de minderjarige zoon van haar zoon, die ook een mvv-aanvraag had ingediend en was afgewezen. Hoewel eiseres stelde dat er sprake was van een ketenconstructie waarbij de zaken samen beoordeeld moesten worden, oordeelde de rechtbank dat de reguliere aanvraag van eiseres niet in samenhang met de asielrechtelijke nareiszaak van haar kleinzoon hoefde te worden beoordeeld.
De rechtbank heropende het onderzoek naar aanleiding van een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over bewijscriteria in nareiszaken, maar dit had geen invloed op het oordeel dat er geen afhankelijkheidsrelatie is. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.