De werknemer, werkzaam als kok bij een Indonesisch-Maleisisch restaurant, is op 26 april 2022 op staande voet ontslagen wegens diefstal van geld uit de fooienpot en het zonder toestemming weggeven van voedsel aan derden. De werknemer erkende het wegnemen van €4,50 uit de fooienpot, maar betwistte het stelen van vlees en stelde dat het weggeven van gebakken bananen in overleg met collega’s gebeurde.
De werkgever stelde dat er sprake was van een dringende reden voor ontslag, onderbouwd met camerabeelden en getuigenverklaringen. De kantonrechter oordeelde dat het wegnemen van geld en het onrechtmatig weggeven van voedsel afzonderlijk en gezamenlijk een dringende reden vormen, waardoor het ontslag op staande voet standhoudt. De gevorderde billijke vergoeding werd afgewezen.
De kantonrechter kende de werkgever een gefixeerde schadevergoeding toe ter hoogte van het loon over de opzegtermijn. De werkgever vorderde daarnaast schadevergoeding voor gestolen fooiengeld en vlees. De schadevergoeding voor het gestolen geld werd beperkt tot €4,50, omdat de werkgever onvoldoende bewijs leverde voor een hoger bedrag. De vordering voor het vlees werd aangehouden omdat de werkgever onvoldoende bewijs had geleverd, maar wel in de gelegenheid werd gesteld dit nader te onderbouwen en getuigen te laten horen.
Verder werd vastgesteld dat de werkgever nog €8.112,58 aan achterstallig loon, vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen aan de werknemer verschuldigd is. Een vordering van de werknemer van €5.000,- wegens vermeende onrechtmatige opname door de werkgever werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De procedure wordt aangehouden voor bewijslevering omtrent de vleesdiefstal en de daarbij gevorderde schadevergoeding.