ECLI:NL:RBDHA:2022:10903

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 september 2022
Publicatiedatum
21 oktober 2022
Zaaknummer
SGR 21/3940
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbWet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op verzoek om aanvullende AIVD-gegevens inzage

Eiser verzocht de minister van Binnenlandse Zaken om inzage in alle over hem bij de AIVD aanwezige gegevens. De minister verstrekte een dossier met niet-actuele gegevens en weigerde inzage in actuele gegevens en bepaalde passages vanwege bescherming van bronnen en persoonsgegevens van derden. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat eiser in eerdere procedures ook al inzage had gekregen en dat de hoogste bestuursrechter eerder oordeelde dat er geen meer gegevens waren dan reeds verstrekt. De minister had voldoende gemotiveerd dat alle beschikbare gegevens waren verstrekt en dat de weigering van inzage in actuele gegevens en bepaalde passages gerechtvaardigd was.

Eiser gaf aan zich onveilig te voelen en wilde uitsluitsel over zijn veiligheid en die van zijn familie, maar dit viel buiten de reikwijdte van het geschil. Ook weigerde hij toestemming voor gebruik van vertrouwelijke stukken, waardoor een volledige beoordeling niet mogelijk was. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er meer gegevens bij de AIVD zijn dan reeds verstrekt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/3940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigde: mr. R.Z.J. Coret).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om kennisneming van eventueel over hem bij de AIVD [1] aanwezige gegevens gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 17 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van enkele op de zaak betrekking hebbende stukken. [2] Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend om mede op grondslag van de niet verstrekte informatie uitspraak te doen. [3]
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 16 augustus 2022 behandeld. Eiser was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Op 19 mei 2020 heeft eiser verweerder verzocht om kennisneming van eventueel over hem aanwezige documenten bij de AIVD.

Wat heeft verweerder besloten?

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een inzagedossier verstrekt voor zover het niet-actuele gegevens betreft. Het verzoek van eiser voor zover het actuele gegevens betreft is afgewezen. In de verstrekte documenten zijn bepaalde passages onleesbaar gemaakt, omdat deze inzage geven in gehanteerde bronnen, persoonsgegevens van derden of een actuele werkwijze bevatten. In bezwaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Volgens verweerder is niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het onderzoek niet juist of niet volledig is uitgevoerd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met verweerder. Hij is van mening dat er meer informatie moet zijn dan die hij heeft ontvangen. Hij begrijpt niet waarom hij stukken die hij in eerdere procedures al ontving, opnieuw heeft ontvangen. Verweerder had ex nunc op zijn verzoek moeten beslissen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Eiser gaat in zijn beroepschrift uitvoerig in op zijn persoonlijke motieven voor het indienen van zijn inzageverzoek en benoemt daarbij allerlei feiten en omstandigheden over zijn veiligheid en de veiligheid van zijn familie. Hij voelt zich onveilig en wordt steeds opnieuw geconfronteerd met bedreigingen. Verweerder heeft geprobeerd uit te leggen aan eiser dat hij hem daar niet bij kan helpen of geruststellen en dat er geen verband bestaat tussen de door eiser ervaren problemen en de AIVD.
4.1.
De rechtbank moet zich in deze procedure beperken tot de beroepsgronden die betrekking hebben op de gehandhaafde weigering om alle gegevens te verstrekken op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan dit verzoek al eerder heeft verzocht om kennisneming van eventueel over hem bij de AIVD aanwezige gegevens. In de laatste procedure heeft de hoogste bestuursrechter [4] het door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. [5] In die procedure is al geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bij de AIVD meer gegevens over hem zijn dan al aan hem zijn verstrekt.
4.3.
Ook in deze procedure heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er meer niet-actuele gegevens over hem bij verweerder zijn dan al aan hem zijn verstrekt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat op elke redelijkerwijs mogelijke wijze in het archief is gezocht. De enkele stelling van eiser dat verweerder over meer gegevens beschikt, is in dit verband onvoldoende.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat verweerder alle niet-actuele persoonsgegevens die konden worden verstrekt (opnieuw) aan eiser heeft verstrekt. Een beperkt aantal passages heeft verweerder onleesbaar gemaakt, omdat deze inzage geven in gehanteerde bronnen, persoonsgegevens van derden of een actuele werkwijze bevatten. Verweerder heeft in het bestreden besluit al uitgelegd dat verweerder over de eventuele aanwezigheid van actuele gegevens geen uitspraken mag doen. De rechtbank stelt vast dat eiser hiertegen geen beroepsgronden heeft aangevoerd, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid hiervan.
4.5.
Eiser voert verder aan dat hij de inbreng van geheime stukken overbodig vindt en geeft geen toestemming aan de rechtbank om mede op grondslag van de niet verstrekte informatie uitspraak te doen. De rechtbank overweegt dat zonder inzage in de vertrouwelijke stukken geen volledige beoordeling van het beroep van eiser kan plaatsvinden. De gevolgen hiervan zijn voor risico van eiser. [6]
4.6.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder ex nunc op het verzoek van eiser heeft beslist, zodat de beroepsgrond van eiser dat dit niet zo is, niet kan worden gevolgd.
4.7.
Uit alles wat eiser heeft aangevoerd, blijkt dat het hem er om te doen is uitsluitsel te krijgen over de veiligheid van hem en zijn familie. Echter, zoals ook op de zitting met eiser is besproken, valt dit buiten de omvang van dit geschil.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.R. van Veen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
21 september 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
2.Zie artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.
3.Zie artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:731.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van