Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
waaromdeze niet op haar van toepassing werd geacht. De motivering op dat punt houdt namelijk enkel in
dateiseres niet valt onder één van de uitzonderingscategorieën van het EU-inreisverbod. De rechtbank kan begrijpen dat eiseres in bezwaar dan niets anders kan, dan wederom wijzen op de bedoelde uitzonderingscategorie waaronder zij meent te vallen, zonder daarbij gemotiveerd het standpunt van verweerder te weerleggen dat zij niet valt onder een uitzonderingscategorie van het EU-inreisverbod. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder aanleiding had moeten zien eiseres te horen in bezwaar en leidt het niet horen van eiseres in bezwaar tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de gehanteerde weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub vi), van de Visumcode, onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Dat de gronden van het bezwaar wellicht (en begrijpelijkerwijs) summier waren, maakt nog niet dat het bezwaar geen aanknopingspunten bood om tot het horen van eiseres over te gaan. Dat het, zoals verweerder in het verweerschrift overweegt, duidelijk was dat eiseres geen reiziger was met een essentiële functie en er voor haar ook geen zwaarwegende redenen waren om in te reizen in de zin van de uitzonderingen op het Europese inreisverbod, doet aan dit oordeel niet af. Ook in het bestreden besluit legt verweerder nog altijd niet uit
waaromeiseres niet onder de uitzonderingscategorie valt waarop zij zich heeft beroepen, maar wordt wederom alleen overwogen
dateiseres niet zou vallen onder één van de categorieën personen voor wie of doelen waarvoor het inreisverbod niet geldt. De bedoelde toelichting volgt pas in het verweerschrift, namelijk dat het kleinkind van eiseres ten tijde van de besluitvorming nog niet was geboren.